De werkbij (of werkster)


Het leven van een werkbij begint als bevrucht eitje (de koningin kan aan een eitje al dan niet sperma toevoegen om het te laten bevruchten). Afhankelijk van de als larve verkregen hoeveelheid koninginnengelei wordt dit eitje een werkbij of een koningin (die dus beide van het vrouwelijke geslacht zijn).

Het duurt 21 dagen voordat een werkbij is volgroeid.

Die 21 dagen zijn als volgt verdeeld:

  • na 3 dagen komt er een larve uit het eitje,
  • die larve wordt dan 6 dagen goed gevoed, waarna deze zich verpopt,
  • het popstadium duurt 12 dagen.


Meestal wordt gesteld dat de na het popstadium volgroeide werkbij vervolgens eerst 21 dagen binnendienst doet, en daarna 21 dagen buitendienst, en in totaal dus 42 dagen (6 weken) oud wordt.

De eerste 3 weken van de taken als huisbij op volgorde :

  • 1. Poetser: cellen poetsen en broed verwarmen
  • 2. Voedster: voeden van de larven
  • 3. Bouwbij: was produceren, raten bouwen, honing aannemen van haalbijen en opslaan in raten of doorgeven aan voedsters
  • 4. Poortwachter: wachtdienst aan het vlieggat om te beschermen tegen indringers

De weken 4, 5 en 6 met taken als vliegbij

  • Haalbij: verzamelen van nectar, stuifmeel, water en propolis

Echter, de bijen die met een natuurzwerm mee gaan leven gemiddeld veel langer dan 6 weken, en de bijen die na de winter moeten bijdragen aan de grootste groei van het volk leven gemiddeld veel korter. Winterbijen kunnen tot 7 maanden leven.

De daadwerkelijke levensduur van de werkbij is erg afhankelijk van de omstandigheden waarin de werkbij opgroeit, hetgeen voor een groot deel wordt bepaald door de tijd in het jaar.

Andere feitjes over de werksters zijn:

  • 30.000 - 80.000 werksters in de zomer
  • 10.000 - 20.000 werksters in de winter
  • leeft in de zomer 6 weken en
  • leeft in de winter 5 tot 6 maanden
  • in de winter houden de werksters de koningin en elkaar warm



De Bijenkoningin

Een bijenkoningin is de leider van een bijenkolonie en de moeder van de meeste, of zelfs alle, darren. Een gezonde koningin is nodig voor een gezonde bijenkorf. Wanneer zij oud wordt of doodgaat en er niet op tijd een nieuwe koningin wordt gevonden, zal de hele kolonie doodgaan. Om bijenkorven in stand te houden moeten imkers een bijenkoningin kunnen onderscheiden van de andere bijen, en kunnen haar markeren als ze eenmaal is geïdentificeerd.

Het leven van een nieuwe koningin begint als bevrucht eitje. Het duurt daarna 16 dagen voordat een koningin is volgroeid (voor een dar en een werkbij is dat respectievelijk 24 en 21 dagen). Die 16 dagen zijn als volgt verdeeld:

  • na 3 dagen komt er een larve uit het eitje,
  • die larve wordt dan 6 dagen goed gevoed, waarna deze zich verpopt,
  • het popstadium duurt 7 dagen.


Dat het ene bevruchte eitje een werkbij wordt en het andere bevruchte eitje een koningin, wordt bepaald door de hoeveelheid koninginnengelei die het krijgt in het larvestadium.

Een koningin kan maximaal zo'n 1900 eitjes per dag leggen. Voor de productie van die eieren heeft ze in haar achterlijf dan ook in verhouding bijzonder grote eierstokken.

Eerst zoekt de koningin daartoe een schone cel, en stelt ze daarvan ook de grootte vast. Pas dan stopt ze haar achterlijf in de cel. Dan gebeurt het eigenlijke afzetten van een langwerpig eitje op de bodem van de cel.

In een grotere cel (een darrencel) legt een onbevrucht eitje, en in een kleinere cel (een werkstercel) - of juist een grotere verticale cel - legt ze een bevrucht eitje. De grotere verticale cellen waar de jonge koninginnen uitkomen worden koninginnencellen of moerdoppen genoemd.

Er is rondom de koningin voortdurend een groep verzorgende werkbijen aanwezig , de hofstaat. Dit “verzorgen” bestaat uit het likken (van de koninginnenstof), wassen en voeden van de koningin.

De levensduur van een koningin is maximaal zo'n 5 jaar, maar meestal zal ze eerder worden vervangen; door de imker of door de werkbijen zelf. De werkbijen zullen dat doen zodra de koningin slechter gaat presteren.

Normaal gesproken loopt er in een volk maar één koningin rond. Als er meerdere koninginnen tegelijkertijd zijn dan zullen ze elkaar bevechten totdat er maar één overblijft. Om die reden bestaat bijvoorbeeld ook het tuten en kwaken. Alleen in het geval van een stille machtswissel kunnen er wel eens tegelijkertijd meerdere koninginnen in een volk zitten.


De dar (dorne of drone)

Darren ontstaan uit onbevruchte eieren. De eieren waar de darren uit geboren worden, worden, net zoals de eieren waaruit de werkbij en de eieren waaruit de volgende koninginnen worden geboren, gelegd door de koningin zelf. De dar heeft dus geen vader, maar wel een grootvader.

De eieren worden in grotere cellen gelegd dan de eieren voor een werkbij. Het aantal beperkt zich meestal tot enige honderden. Een heleboel van die grotere celletjes bij elkaar wordt darrenraat genoemd.

Het duurt 24 dagen voordat darrenbroed uitkomt (3 dagen eistadium, 6 dagen larvenstadium, 15 dagen popstadium).

Een dar is een maatje groter dan de werkbij, maar een maatje kleiner dan de koningin. De ogen zijn twee keer zo groot als de ogen van de werkbij en de koningin. Een dar kan niet steken zoals een werkbij.

De bijdrage van de dar aan de kolonie is helpen bij de temperatuurregeling. Wanneer de temperatuur te laag wordt, gaan de darren en de werkbijen warmte genereren door te trillen, en wanneer de temperatuur te hoog wordt, gaan de darren en de werkbijen met de vleugels wapperen ter ventilatie. De dar haalt echter geen honing, geen stuifmeel, voert geen larven, bouwt geen raat. Hij laat zich voeren door de werkbijen.

Het is de taak van darren te paren met de koningin. In het nest hebben darren en jonge koninginnen nog geen speciale belangstelling voor elkaar. Het paren vindt exclusief in de lucht bij darrenverzamelplaatsen plaats. Dit zijn open plekken op 10 tot 40 meter in de lucht. Darren scheiden een feromoon af waarmee andere darren en bijenkoninginnen op bruidsvlucht worden aangetrokken tot deze plaatsen. Waarschijnlijk wordt dit feromoon ergens in de kop van de darren geproduceerd. Als er een koningin verschijnt reageren de darren op een feromoon dat door de koningin wordt afgescheiden met zo hard mogelijk achter haar aan te vliegen. Deze darren vormen dan een darrenkogel of een darrenkomeet. De snelste darren paren met de koningin. Dit kan wel tot op 60 meter hoogte gebeuren.

Bij een paring stulpt het geslachtsorgaan, ook wel bevruchtingsteken genoemd, naar buiten. Het bevruchtingsteken blijft dan aan de koningin zitten waardoor de dar direct het leven laat. Het bevruchtingsteken moet dan weer eerst door haar, of door een volgende dar worden verwijderd voor de volgende paring kan plaatsvinden. De koningin paart met meerdere darren en ontvangt bij elke paring tot zo'n 6 miljoen zaadcellen.

De levensduur van een dar is erg afhankelijk van de omstandigheden waarin een dar opgroeit en kan variëren van 12 tot 90 dagen.

In de zomer zijn er tussen de 500 - 1000 darren.

In juli of augustus, na het broedseizoen, wanneer er veel minder stuifmeel wordt opgehaald door de werkbijen, vindt de darrenslacht plaats. Dit is geen echte slacht. De darren worden eerst een tijdje niet meer gevoerd en wanneer verzwakt verdrijven de werkbijen de darren uit het volk. Buiten de bijenwoning zal de dar snel overlijden.

Zeer krachtige volken laten weleens een tiental darren mee overwinteren.